De denarius

Op advies van buurman Jo sta ik stil op ’t bospad. Ik luister. Van de boomtakken vallen druppels met doffe. onregelmatige plofjes op de grond. Jo zei dat in het bos bij ons om de hoek ergens een zilveren muntje zou liggen. Hij beschreef het als ‘een prachtig muntstuk, met voorop een afbeelding van keizer Marcus Aurelius en achterop godin Concordia.’ Het zou alleen te vinden zijn door stil te staan. Door goed te luisteren en te kijken. Hij had het zelf ook zo gevonden. Tijdens zijn dagelijkse ommetje door het bos.
Jo wilde niet zeggen waar het muntje nu precies lag. Hij zei dat het geheim moest blijven. We keken elkaar aan over het muurtje dat onze voortuinen van elkaar scheidt. Met grote vrolijke ogen zei hij: ‘Ik kan het je niet vertellen, want dat doet m’n inspanningen te niet. Maar ik kan je wel vertellen wat ik met het muntje heb meegemaakt.’ Zonder verdere aarzeling begon hij aan zijn uitleg.
Hij was zijn gewone gang door het bos gegaan. ‘s Ochtends kort na zonsopgang. Voordat alle hondeneigenaren hem tijdens hun wandeling zouden groeten. Ergens halverwege had hij stil gestaan onder het bladerdak van de bomen. Om te luisteren naar het geluid van over elkaar schuifelende takken en bladeren. Dat was een belangrijk onderdeel van iedere wandeling. Hij keek omhoog. Naar de bladeren die motregen voor hem opvingen. De nevel tintelde op zijn wangen. Zijn ogen prikten van de overgebleven nachtelijke koelte terwijl hij om zich heen keek. Naar het pad dat onder zijn voeten duidelijk herkenbaar was maar in de verte volledig leek op te gaan in het bos. Een omgevallen boom een paar meter verderop. Waar voorheen de wortels in de grond zaten was nu een groot gat. Hij rook de koele bosgrond.
Ik luisterde aandachtig naar zijn verhaal en ging op het muurtje zitten. Jo leunde tegen de muur naast zijn voordeur. Een smeulend sigaarstompje in zijn mondhoek. Hij vertelde dat hij regelmatig stil stond in het bos, rustig wachtend op wat zijn zintuigen hem vertelden. Zijn ogen leidden hem naar een rafelende bladrand, zijn handen naar de groeven in de bast van een boom, zijn oren naar een vroege lentevogel.
Die dag was hij uitgekomen bij de geur van de koele bosgrond. Een paar passen van het bospad af naar de omgevallen boom. Hij had geknield, een hand aarde uit de kuil genomen en eraan geroken. Een zoete, zware vriendelijkheid ging door hem heen. Zijn ogen sloten, openden rustig. Hij keek naar de losgewoelde aarde. Donker en zacht. En daar aan de zijkant van de kuil, half onder de aarde en een afgebroken wortel zag hij het muntje oplichten.

Eenmaal thuis had hij het aan Wiet, zijn vrouw laten zien. Die had gelachen en gezegd dat zijn wandelingen zich eindelijk hadden uitbetaald. Ik onderbrak Jo in zijn verhaal om te zeggen dat ik dat een flauwe grap vond. Maar hij had zich er niet aan gestoord, omdat hij wist dat Wiets opmerkingen ironisch en teder waren. Hij vertelde ongestoord verder.
Samen met zijn Wiet had hij hardop nagedacht over wat ze met de munt zouden doen. Wiet had haar lippen richting haar rechtermondhoek opgetrokken en via een klein gaatje dat ze daar open liet piepend lucht naar binnen gezogen. Het had geklonken als lucht die ontsnapt uit strakgetrokken ballontuutjes. Jo deed het geluid ter plekke voor me na. Ze hadden overwogen of ze de munt zouden verkopen, aan het gemeentemuseum zouden schenken, of zelf zouden houden. Uiteindelijk had Wiet gezegd dat hij het zelf mocht beslissen. Hij had geknikt en Google op zijn laptop geopend.
Al snel had hij tussen de zoekresultaten een website gevonden waar bijzondere munten werden verkocht en ingekocht. Het leek hem een betrouwbare website. Hij zag talloze munten die in leeftijd varieerden van drieduizend tot slechts enkele jaren oud. Hij had er uiteindelijk urenlang doorheen gescrold en geklikt, zich verbazend over de nauwkeurigheid waarmee de munten waren geordend, gefotografeerd en beschreven.

De motivatie van de websitebeheerder had hem ook aangesproken. Hij las hoe de munten de beheerder inzicht gaven in de Romeinse geschiedenis. Deze zou zelfs nu nog van invloed zijn op onze maatschappij. Jo had daar even over nagedacht, maar kon geen voorbeelden bedenken. Hij vroeg of ik er een paraat had. ‘Misschien onze collectieve hang naar wereldheerschappij?’, antwoordde ik. Maar daar was hij het niet mee eens. Die had al voor de Romeinen bestaan. Ik gaf hem gelijk en spoorde hem aan om verder te vertellen.

Uiteindelijk hij op de website eenzelfde soort munt gevonden als die uit het bos. In de beschrijving las hij over de afbeeldingen die erop te zien waren. Dat keizer Marcus Aurelius op de voorkant werd afgebeeld en op de achterkant Concordia, de godin van de eendracht. Die laatste afbeelding leek hem bijzonder aangezien hij tot dan toe vooral oorlogstaferelen had gezien. Zo herinnerde hij zich een munt waarop een stapel afgehakte Germaanse armen was afgebeeld.

Het was hem ook opgevallen dat de munten met oorlogstaferelen ondanks hun gangbaarheid hoger geprijsd waren. Een volgende opmerking over onze hang naar wereldheerschappij kwam in me op. Maar omdat mijn buurman enthousiast verder vertelde hield ik me in. Hij zei dat de verkoopwaarde van het muntje rond de tweehonderd euro lag. Dat was voor hem best een aardige bijverdienste. Maar de munt was voor hem al minstens het dubbele waard. Misschien wel het driedubbele. Zodoende had hij besloten dat ze de munt niet gingen verkopen.

Zou hij hem dan zelf houden? Hij zat op de bank met zijn laptop op schoot en had rondgekeken in de huiskamer. In ieder hoekje van hun woonkamer stond wel een object, een snuisterij, een vaasje, een plant of bloemetje. Ik knikte bevestigend, denkend aan de keren dat ik bij hem binnen op de koffie was geweest. Rondkijkend in zijn woonkamer was het hem duidelijk geworden dat het muntje ergens anders moest worden ondergebracht. In dit huis zouden ze het beiden langzaam vergeten.

De optie om het muntje in het gemeentemuseum onder te brengen had daarom nu het meest aantrekkelijk geleken en hij maakte een afspraak met de curator van de antieke collectie. Die was overigens ook de curator van alle overige collecties, want het gemeentemuseum was niet zo groot. De man had hem enthousiast ontvangen en uitgenodigd om mee te lopen naar de vitrines met de collectie antieke munten.

Daar werd het muntje uitvoerig bestudeerd. De curator bekeek het door een loep, woog hem op een zakweegschaaltje, en besteedde vooral veel aandacht aan de randen en de scheuren die daarin te zien waren. Hij voelde er met zijn wijsvinger aan. Jo had hem naar zijn mening gevraagd.
‘Het is een mooi muntje, met name vanwege de voorstelling van de godin Concordia’, reageerde de curator. ‘Zilveren dinarie zoals deze waren veel in omloop omdat ze een stuk kostbaarder waren dan een koperen as, de minst waardevolle muntsoort in die tijd, en anderzijds niet zo veel waard waren als een gouden aureus. Daardoor was het een gangbaar betaalmiddel voor de Romeinse middenklasse. Maar alhoewel we de muntsoort dus regelmatig vinden, treffen we de afbeelding van deze godin veel minder vaak aan.’

Jo had instemmend geknikt en verteld over de oorlogstaferelen die hij op internet gezien had. De curator had hem blij en verrast aangekeken. Hij vulde mijn buurman aan. Het waren inderdaad vaak afbeeldingen die met oorlogen te maken hadden, maar meer in het algemeen toonden ze afbeeldingen van successen. Er werden allerlei glorieuze en triomfantelijke taferelen afgebeeld, zoals overwinningen, maar ook afbeeldingen van ingenieuze Romeinse bouwwerken. De munten waren gedurende het bestaan van het Romeinse rijk naast hun financiële waarde meer en meer een propagandafunctie gaan vervullen.

En eigenlijk, zo had de curator met zichtbare tegenzin bekend, gold dat ook voor deze munt met de afbeelding van Concordia. Want alhoewel de godin van de eendracht gezien kon worden als toonbeeld van universele harmonie, werd er op munten zoals deze vooral een politieke eendracht mee aangeduid. Het was een symbool van wijdverspreide politieke macht. Maar ook de beeltenis van Marcus Aurelius herbergde herbergde een tegenstrijdige symboliek. Met gevoel voor drama declameerde hij een citaat van de keizer:

‘Vele wierookkorrels vallen op het altaar. Het maakt niets uit.’

Hij had een korte stilte laten vallen voordat hij verder ging.

‘Met dit altaar dat alle wierookkorrels opving had Aurelius een antieke opvatting over een universele harmonie uit willen drukken. Aurelius ging ervan uit dat alles op het juiste moment op zijn eigen plek viel’.
‘Zijn beeltenis is dus een heel harmonieus symbool?’, had Jo gevraagd.

‘Ja enerzijds wel, maar anderzijds staat de weergave van het keizerlijk portret op deze munt in een traditie die ooit door Julius Caesar was gestart. Die wilde daarmee zijn absolute macht tentoon spreiden. Diens moordenaar en opvolger had vervolgens hetzelfde gedaan. In diezelfde traditie kunnen we deze afbeelding van Aurelius begrijpen. Dus zowel de betekenis van Concordia als Marcus Aurelius op deze munt kunnen beiden op tegenovergestelde manieren geïnterpreteerd worden. Een paradoxale denarius, zou je kunnen zeggen’, glimlachte de curator.

Mijn buurman had met open mond geluisterd. Hij was ook nu nog steeds erg te spreken over het enthousiasme van de man en ook over zijn kennis en kundigheid die hij tijdens hun gesprek had laten blijken. Die kwam niet alleen in zijn verhalen naar voren, maar sprak ook uit de zorg waarmee de vitrines in het museum waren ingericht. Een strakgespannen en lichtglimmend blauw doek diende als achtergrond van de munten. Op iedere munt was vanaf de bovenrand van de vitrine een lampje gericht. Daardoor kwamen de munten als lichtpunten uit een open blauwe ruimte naar voren. Op kleine bordjes werden enkele uiterlijke details en historische wetenswaardigheden beschreven. De munt zou hier zeker worden gezien en gewaardeerd.

Maar toch, vertelde Jo, bleek ook dit niet de juiste plek. Ik keek hem vragend aan. Het museum gaf toch alle ruimte om het muntje tentoon te stellen? En de curator gaf duidelijk blijk van zijn inzicht in de historische en symbolische betekenissen? Dat beaamde mijn buurman resoluut. Maar staande voor de vitrines in het museum was hem een nog betere plaats voor het muntje ingevallen. Terwijl hij luisterde naar de curator en keek naar de met zorg geordende vitrines had hij een prettig gevoel van controle gekregen. Wat hij daarvoor nog niet had gehad.

‘Die vreemde oude objecten maakten me in eerste instantie wat ongemakkelijk’, zei Jo. ‘Maar staande voor die vitrines schoot me de ervaring in het bos te binnen, toen ik daar onder het bladerdak stond en mijn neus volgde, het pad af richting de omgewaaide boom, en daar in de omgewoelde aarde de munt vond. Daar in het bos waren al mijn zintuigen vol opmerkzaamheid, zonder te weten wat er komen ging. En toen ik zo opmerkzaam was viel mijn oog op de munt. Bijna als bijkomstigheid. Dat drong in het museum tot me door. Die wandeling waarbij ik mijn zintuigen volgde en die me tot mijn grote verbazing bij een Romeinse muntje deed uitkomen. Dat was voor mij de echte waarde.’ Hij voegde eraan toe dat er maar een manier was om die waarde te behouden.

Vanuit het museum was hij rechtstreeks naar het bos gelopen. Daar sloot hij zijn ogen en wierp het muntje met een reusachtige zwaai tussen de bomen. En daar in dat bos sta ik nu stil. Een stuk verderop zie ik de buurjongen van tegenover. Die heeft het verhaal van mijn buurman waarschijnlijk ook gehoord. Ik zag ze eerder deze week in een geanimeerd gesprek verwikkeld, zittend op het muurtje in de voortuin. Ik kijk hem aan, we glimlachen naar elkaar. We staan stil, luisteren en kijken.

Korte
verhalen